Waterzielen

Voorwoord in boek-bij-de-serie Nederland in 7 Overstromingen

Taxiënd van of naar de vertrekslurven van Schiphol beeld ik me vaak in dat het vliegtuig waarin ik zit zich tot aan zijn vleugels door het water beweegt. Ik zie dan geen nachtmerrieachtig visioen voor me van een crash of een noodlanding op volle zee, ik stel me simpelweg de watermassa voor van drie a vier meter diep die hier tot honderdvijftig jaar terug op de bodem van de Haarlemmermeer stond. Daar waar nu het asfalt van de Polderbaan ligt uitgerold.

Van dit afwezige water krijg ik tintelingen van trots. Staat dit eigenlijk wel in de vaderlandse canon: afwezig water, op plekken waar het volgens de wetten van de hydraulica wel zou moeten zijn? Persoonlijk vind ik land-onder-de-zeespiegel (eenderde van Nederland) eigener dan tulpen (een plant uit Turkije), aardappelen (afkomstig uit de Andes) of windmolens (die al in 1539 de aanblik van de Spaanse hoogvlaktes bepaalden toen Cervantes er zijn Don Quichote situeerde).

Vanwaar dit patriottisch sentiment? Zeker weten doe ik het niet, maar ik verdenk één kunstwerk van 40 bij 55 centimeter in de woonkamer van mijn ouderlijk huis. Mijn ouders kochten het in de wederopbouwjaren. Ze komen allebei van de Zuid-Hollandse eilanden, waar ze de watersnood van 1953 hebben meegemaakt: hun dorp, Oud-Beijerland, lag als een half overspoeld eiland in de goeddeels verdronken Hoeksche Waard; de boerderij van de beste vriendin van mijn moeder was als wrakhout meegesleurd.

Ze trokken voor werk naar Rotterdam. Vóór februari 1953 met de stoomtram over de brug over het Spui, na februari 1953 noodgedwongen met de pont. In 1956 trouwden ze. Als huwelijksgeschenk mocht mijn moeder van haar werkgever een schilderij uitkiezen van een echte schilder - olieverf op doek. Halverwege de Lijnbaan, de door de oorlog verwoeste Lijnbaan, bevond zich een galerie. De verloofden kozen eensgezind voor een werk van Meeuwis van Buuren, Rotterdammer. Het kostte een vermogen: meer dan honderd gulden, heb ik gehoord.

Met dit kleinood in huis ben ik opgegroeid. Pas nu ik met de complete crew van ‘Nederland in 7 Overstromingen’ in ons rijke watersnoodsverleden ben gedoken, als parelvissers op zoek naar stukjes van de Nederlandse volksziel, realiseer ik me dat er op het enige schilderij bij ons thuis geen land staat. Er staat helemaal niets op dan water. Je ziet opspattend zeewater, een dramatische wolkenpartij, één meeuw.

Het kan geen toeval zijn dat mijn ouders voor dit landschap kozen dat geen landschap is. Japanners krijgen op hun bruiloft een houtsnede van Mount Fuji, Armeniërs een schilderij van de Ararat. Wij deltabewoners kiezen voor een zeegezicht.

De vakanties van mijn jeugd, en dit is evenmin toeval, bracht ik door aan de vloedlijn die Meeuwis van Buuren net niet weergeeft. Daar, op het Noordzeestrand, ben ik zomer aan zomer met emmertjes en schepnetjes in de weer geweest. Bij laag water heb ontelbare zandkastelen gebouwd; mijn zus versierde ze soms met schelpen. Zelf bleef ik doorscheppen tot aan de vloed, almaar verwoeder, in het volle besef dat mijn bouwsels het zonder uitzondering moesten afleggen tegen het opkomend tij. Golf voor golf zijn ze afgekalfd en in een paar uur tijd: uitgewist.

Raker dan Hansje Brinker met zijn vinger in de dijk – een cliché dat in het buitenland bekender is dan in eigen land – staat voor mij het spelende kind dat op de vloedlijn een zandkasteel bouwt symbool voor hoe wij ons verhouden tot het water: we werpen barrières op die gedoemd zijn om vroeg of laat weer weg te spoelen. Gebeurt dit met de zandkastelen binnen de twaalfuurscyclus van eb en vloed, op nationale schaal gebeurt het eens in de honderd of paar honderd jaar – ook al blijven daarbij de grootste stukken Nederland altijd wel overeind staan.

Er valt goed mee te leven. Vooral als je bedenkt dat die overstromingsrampen weliswaar veel hebben weggenomen (levende have, onroerend goed, infrastructuur) maar dat wij er als overlevenden ook een rijkdom aan niet-materiële zaken voor hebben teruggewonnen. Niet alleen kennis van de waterbouw, maar ook goedgeefsheid bij rampen of de overlegcultuur van het polderen. Wat heeft het water ons ontnomen, en wat heeft het ons gegeven – dat is wat we in dit boek, in de tentoonstelling van het Zuiderzeemuseum en in de zevendelige NTR-serie ‘Nederland in 7 Overstromingen’ voor het voetlicht willen brengen.

 

Frank Westerman