Sjevardnadze over zichzelf en 'het fenomeen Stalin'

'Het volk had al een tijdje genoeg van mij'

 

Tblisi, 21 mei 2011 - Een paar meter voorbij de Britse ambassade, die de architectuur heeft van een goudkleurige juwelendoos, ligt een pleintje van asfalt. Elke werkdag verzamelt zich hier een kluitje mannen en vrouwen in sombere jassen. Ze delen een megafoon waar ze om de beurt, jaar in jaar uit, vuiligheden in spuwen naar de bewoner van de staatsvilla achter de metershoge poort.

 

Zodra ik uit de taxi stap, gaan ze over op Engels. ‘SJE-VARD-NAD-ZE IS A DOG, SJE-VARD-NAD-ZE IS A DOG.’ Ik hef mijn camera, zij heffen hun vuist. Een bewaker in uniform klapt een luikje open, waarop het spreekkoor aanzwelt en er ineens een antwoord opklinkt van gene zijde van de poort: de Kaukasische herdershonden van Edoeard Ambrosevitsj Sjevardnadze, ook wel bekend als ‘de man die de Koude Oorlog beëindigde’, slaan aan.

 

Ik weet dat ze Bombora en Batura heten, de honden. Dat was een voorwaarde van Marina, de vrouw die bepaalt wie toegang krijgt tot de bekendste Georgiër na Stalin en wie niet: dat ik vooraf Sjevardnadzes memoires zou lezen. Daarin vertelt de hoogbejaarde, door een volksopstand afgezette ex-president hoe hij zijn dagen slijt met zijn honden, die hem trouw zijn gebleven.

 

Wat wilde ik van de 83-jarige Sjevardnadze weten? Eerst en vooral, in het licht van de revoltes in het Midden-Oosten: voelde hij zich verbonden met de verdreven langheersers Ben Ali en Hosni Mubarak (of met de belaagde president Assad, kolonel Gaddafi). Of juist met de jongeren die tegen hen in opstand kwamen?

 

Van Marina moest ik vooraf mijn vragen indienen, die ze goedkeurde met de kanttekening dat ze wel wat wijdlopig waren. „Belt u morgen om 10 uur terug, dan hoort u of het interview om 11 uur doorgaat of niet”, zei ze tot twee keer toe, waarna ik mijn nette pak weer kon uittrekken. In mijn aantekenschrift noteerde ik ‘Wachten op Sjevardnadze’, een bezigheid waar ik mij dertien jaar geleden (toen hij nog president was) al in had bekwaamd: in april 1998 bracht ik vijf middagen door in het voorportaal van zijn uit goudgele natuursteen opgetrokken paleis – in een zithoek met MTV (Spice Girls) en Cartoon-Network (The Pink Panther).

 

Alles bij elkaar had de zachtmoedig ogende Sjevardnadze zich drie decennia op het wereldtoneel begeven. Als zoon van de onderwijzer van Mamati, een dorp omringd door theeplantages aan de grens met Turkije, had hij zich opgewerkt tot KGB-chef (1965) en partijleider (1972) van Sovjet-Georgië. Hij diende de grijsaards Brezjnev, Andropov, Tsjernenko en werd in 1985 door Michael Gorbatsjov naar Moskou gehaald als minister van Buitenlandse Zaken. Hij speelde een sleutelrol bij de terugtrekking van Sovjet-troepen uit Afghanistan, de val van de Berlijnse Muur, de hereniging van BRD en DDR, het neerhalen van het IJzeren Gordijn.

 

Dit alles deed Sjevardnadze met ongebruikelijke flair. In de memoires van zijn oud-collega’s James Baker en Hans-Dietrich Genscher, die zelf vaak stijf en saai op de foto staan, keert zijn jovialiteit telkens terug. Sjevardnadze gold als aardiger dan Gorbatsjov, met hém kon je praten.

 

Onbedoeld droeg hij bij aan het bloedige uiteenvallen van de Sovjet-Unie, die op 21 december 1991 ophield te bestaan – ‘de geboortedag van Stalin’, zoals Sjevardnadze in zijn memoires opmerkt. Zelf was hij als redder-in-nood teruggekeerd naar het onafhankelijke Georgië, waar hij vanaf 1992 de taak op zich nam om, gekleed in camouflage-uniform, de verschillende burgeroorlogen in zijn geboorteland te bedwingen. „Ik heb nu meer macht dan ooit”, zei hij in april 1998, toen ik hem in zijn werkkamer op elf hoog boven Tbilisi te spreken kreeg.

 

Juist was hij ontkomen aan een moordaanslag, zijn tweede. Een commando had zijn gepantserde Mercedes, een geschenk van de Amerikanen, met raketwerpers onder vuur genomen op de weg bij de rivier. Brandend gleed zijn auto tot buiten het schootsveld van de schutters, waar een verkeersagent hem in veiligheid kon brengen. „Aan memoires schrijven ben ik nog lang niet toe”, zei hij destijds, terwijl buiten onder de platanen een groepje betogers: ‘SJE-VARD-NAD-ZE, CEAU-SES-CU!’ scandeerde.

 

Anno 2011 blijken de betogers te zijn meeverhuisd naar de heuvel waar ook de opzichtige Britse ambassade staat. Voor een staatshoofd dat door zijn volk is verjaagd (tijdens de ‘Rozenrevolutie’ van 2003) wordt Sjevardnadze mild behandeld. Hij heeft noch huisarrest noch een spreekverbod. Van zijn opvolger, president Michael ‘Misja’ Saakasjvili, mag hij in de regeringsresidentie blijven wonen; zelfs zijn beveiliging komt voor rekening van de staat.

 

Zodra de poort zich opent, gaat het ‘SJEVARDNADZE IS A DOG!’ crescendo. Mijn tolk Lela en ik kunnen ons niet meer verstaanbaar maken. Een bewaker gebaart dat we vlug binnen moeten komen. We stappen in een parkachtige tuin met een prieeltje en het hok van Bombora en Batura, die nu vervaarlijk grommen. Tussen de bomen staan twee gebouwen, allebei log en non-descript, zonder de houten veranda’s die je overal in Tbilisi ziet. Ergens in een garage staat de opgeblazen Mercedes, ter herinnering aan de jaren waarin Sjevardnadze’s macht onaantastbaar leek.

 

We moeten onze armen spreiden, tassen en telefoons inleveren, dan gaat het naar de antichambre, een langwerpig vertrek waar het straatrumoer gedempt in doordringt. Een brede trap omhoog komt uit bij een icoon van mozaïek. Op de overloop verschijnt in mantelpak de magere gestalte van Marina Davitasjvili, perssecretaris en ghostwriter van Edoeard Sjevardnadze.

 

‘Baboe’ (zijn koosnaam,  die zich laat vertalen als ‘Grootva’) heeft zijn engelenhaar nog, maar het is uitgedund. Hij schuifelt van ouderdom en geeft een weke hand. We wisselen beleefde grappen uit. Hij tegen mij: „U bent niet veranderd”. Ik tegen hem: „U heeft uw werkkamer verplaatst van de elfde verdieping naar de eerste.”

 

We zakken weg in zwartleren zetels. Aan de groen gesausde muren hangen foto’s van hem met andere groten der aarde. Uit een wandmeubel haalt Marina een sculptuur tevoorschijn, gemaakt van een stuk Berlijnse Muur, met op het voetstuk ‘EDOEARD DANKE’. De toon van tevreden terugblikken is gezet.

 

Het interview gaat de mist in. Ik vraag Sjevardnadze naar zijn beleving van de Muur destijds als communist, gezien vanuit het Oosten.

 

„We hadden een enorme ambassade in Berlijn, we wisten precies wat daar gebeurde.” Die stem. Het geluid van een grindmolen. Hij klinkt nog trager, nog bedachtzamer dan in 1998. De seconden tikken weg, ik wacht, maar er komt niets meer.

 

Marina, die op drie passen afstand meeluistert vanachter haar schrijftafel, stelt mijn vraag opnieuw, in iets andere bewoordingen.

 

„De Muur was een kunstmatige scheidswand”, zegt hij. „James Baker zei tegen me: ‘Wordt het niet eens tijd na te denken over een Duitse hereniging?’ Ik vroeg hem: ‘Wat vinden Frankrijk en Groot-Brittannië daarvan?’ ‘Die krijgen we wel mee’, zei Baker, ‘het komt erop aan wat Gorbatsjov vindt’. Ik heb hem toen gebeld en hij zei: ‘Dat is geen zaak voor staatshoofden, die komen daar nooit uit. Proberen jullie het maar’.”

 

Michael Gorbatsjov was na zijn verstoting uit het Kremlin gaan werken als reclameman voor Pizza Hut, en later voor Louis Vuitton. Ziet Sjevardnadze een parallel tussen Gorbatsjovs lot en het zijne?

 

„Ik hou er niet van met hem vergeleken te worden.”

 

Ik begin over zijn alom geroemde lach, die scherp afstak bij de norsheid van zijn voorganger Andrej ‘Mister Njet’ Gromyko. Was hij zich bewust hoe gemakkelijk hij onze westerse harten voor zich wist te winnen?

 

„Diplomatiek bedrijf je met je hersenen”, zegt hij vlak, „niet met je lach.” Waarop hij de kwaliteiten van Andrej Gromyko begint te roemen.

 

Marina protesteert: zij is van mening dat zijn lach hem wél ver heeft gebracht. Sjevardnadze draait traag zijn hoofd in haar richting, dan naar Lela, dan naar mij. „Mijn lach is alleen belangrijk voor mijn kinderen en kleinkinderen.” We vallen stil. Dan herhaalt hij dat een politicus het moet hebben van strategisch nadenken, de juiste analyse maken, daaruit volgt dan vanzelf de juiste beslissing. „Zo’n analyse moet wetenschappelijk zijn gefundeerd.”

 

Dit is Sovjet-taal. Beslissingen van het Politburo waren altijd juist omdat ze ‘wetenschappelijk’ waren.

 

Sjevardnadze kijkt waterig uit zijn ogen. Het is warm als in een bejaardenhuis, toch gaat hij gehuld in een overhemd, wollen vest en colbert.

 

Ik kaart zijn val aan in november 2003, op het moment dat woedende Georgiërs de installatie van een nieuwe, frauduleus gekozen volksvertegenwoordiging verstoorden. ‘GADADEKI’, riepen ze, ‘Treed af!’ Zijn lijfwachten schoven hem weg van het spreekgestoelte, een zijkamer in. De belaagde president kondigde de noodtoestand af, maar hij bedacht zich. „Maak je geen zorgen”, zei hij 24 uur later tegen de leiders van het volksoproer. „Ik heb mijn besluit over mijn aftreden al genomen en kom daar niet op terug.” Op de vraag „Waar gaat u nu heen”, antwoordde hij: „Naar huis.”

 

Het was een van de wonderlijkste revoluties van onze tijd. Natuurlijk sierde het Sjevardnadze dat hij het leger niet opdroeg om de centrale boulevard met geweld schoon te vegen – zoals stuiptrekkende Sovjet-troepen dat in 1989 hadden gedaan, ten koste van 23 mensenlevens. Maar wat was er in hem gevaren dat hij de macht zonder slag of stoot opgaf? In zijn memoires concludeerde hij wrokkig dat hij stank voor dank had gekregen, maar in een BBC-interview gaf hij de Verenigde Staten de schuld: die hadden hem op het moment suprême laten vallen.

 

Mijn vraag hierover („U heeft gezegd dat u zich verraden voelde…”) wordt door Marina afgeschoten: „Het woord ‘verraad’ heeft hij niet in de mond genomen.”

 

Hij zegt dat hij in 2003 is ‘teruggetreden’ om ruimte te bieden aan een jonge generatie politici „die ikzelf heb opgeleid”. Zonder de massabetogingen te noemen, de groteske stembusfraude, noch zijn poging de noodtoestand uit te roepen, doet hij het voorkomen alsof hij met vervroegd pensioen is gegaan. Vrijwillig.

 

Maar uw termijn liep officieel tot 2005?

 

Ineens fel: „Dat klopt. Volgens de grondwet had ik tot 2005 moeten aanblijven. En het is mijn grondwet, die Georgië onder mij heeft aangenomen.”

 

Marina: „Doorgaans benadrukt hij in interviews dat hij bloedvergieten wilde voorkomen.”

 

„Ik was bezorgd”, zegt hij. „Als bevelhebber van de strijdkrachten kon ik het leger op die opstandige jongeren afsturen, maar dan zou er bloed vloeien. Dat heb ik voorkomen.”

 

In zijn eigen beleving was hij niet afgezet maar ‘naar huis gegaan’.

 

Was u het regeren niet ook gewoon moe?

 

Mij aankijkend: „Zie ik er vermoeid uit?”

 

Uitgeblust, maar zoiets zeg je niet.

 

„Het volk had al een tijdje genoeg van mij. Er komt een moment dat je als leider ook verveeld raakt. Een goed politicus verstaat de tijd. Hij weet dus ook wanneer zijn tijd gekomen is om te gaan.”

 

Geldt dat evengoed voor leiders als Ben Ali en Mubarak?

 

„Voor allemaal.”

 

Ik wil doorvragen, maar hij is nog niet uitgepraat. „Mubarak heb ik tweemaal ontmoet. Hij maakte een goede indruk op mij. En hij heeft veel gedaan voor de Palestijns-Israëlische verhoudingen.”

 

Is het niet moeilijk om de macht op te geven voor wie ermee vergroeid is?

 

„Voor mij niet.” De Arabische leiders hebben daar meer moeite mee, zegt hij, ze kiezen voor geweld – „anders dan ik heb gedaan”.

 

Zijn de opstanden in het Midden-Oosten spontaan of worden ze van buitenaf georkestreerd?

 

„Ze zijn deels spontaan”, zegt hij, en brengt het gesprek terug op Georgië. Dat de mensen kort van memorie zijn: je bezweert drie burgeroorlogen, bezorgt ze een moderne grondwet, en dan klagen ze dat de stroom uitvalt. „Maar er zijn steeds meer mensen die terugverlangen naar de tijd dat ik nog president was.”

 

Waaraan merkt u dat? Maakt u nog wel eens een wandeling met uw honden?

 

„Ik kom niet meer buiten. Maar de mensen die ik tegenkom, groeten me beleefd, ze respecteren me.”

 

Marina: „Laatst nog hebben we een concert bijgewoond in de Filharmonie. Hij kreeg een staande ovatie.”

 

De eeuwige demonstranten voor de poort waren ‘zviadisten’, discipelen van de charismatische president Zviad Gamsachoerdia, die menen dat Sjevardnadze hun leider in 1991 had laten vermoorden. „Er valt geen zinnig woord met ze te wisselen”, had mijn tolk Lela me gewaarschuwd.

 

Ik vraag naar Sjevardnadzes opvolger Michael Saakasjvili, die sinds zijn mislukte ‘vijfdaagse oorlog’ in 2008 (tegen Rusland, om de door Russen bezette Georgische provincie Zuid-Ossetië te bevrijden) ternauwernood in het zadel wist te blijven. Loopt ook hij het risico te worden afgezet door het Georgische volk?

 

„Interview hem en hij zal het u zeggen.”

 

Al mijn vragen gaan als natte vuurpijlen de lucht in, ze sissen een beetje en dat is het. Als ik terugkom op zijn bekering tot het christendom waarover hij in 1998 sprak, merkt Sjevardnadze op dat hij „de kerkregels maar gebrekkig naleeft”. Ik heb de indruk tegenover een andere persoon te zitten dan dertien jaar geleden, maar ik kom er niet achter in welk opzicht hij is veranderd. Tot overmaat van ramp tilt hij zijn vingers op, ten teken dat het gesprek voorbij is. Nog een laatste vraag. Hoe kijkt hij terug op de meest ingrijpende verandering in zijn leven? In 1985 was hij als partijchef, gepokt en gemazeld in de socialistische retoriek (zijn Sovjet-Georgië produceerde „meer druiven dan Frankrijk, meer thee dan China”…) naar Moskou geroepen, hij heette ‘Edoe’ in de volksmond. Nadien, na de val van het communisme, keerde hij in 1992 terug naar Georgië als ‘Baboe’.

 

Waarin verschilde deze ‘Edoe’ van ‘Baboe’?

 

„Het verschil was dat de tweede over meer informatie beschikte. Hij was in meer dan zestig landen geweest („69 landen”, preciseert Marina) en had zeven keer een topontmoeting gehad met Ronald Reagan.”

 

En dat heeft u veranderd?

 

Er breekt een glimlach door; kraaienpootjes bij beide slapen. „Nee, ik heb Reagan veranderd. Zoals u weet noemde hij de Sovjet-Unie het Rijk van het Kwaad. Maar na onze ontmoetingen is hij daarmee opgehouden.”

 

Marina komt aanlopen met een fotoboek van het historische bezoek van Reagan aan Moskou. Ik blader langs de ondertekeningsposes en de handschudmomenten en moet denken aan het bankje in Jalta: Stalin, Churchill en Roosevelt naast elkaar, 1945.

 

„Dát waren giganten”, zegt Sjevardnadze.

 

Mijn recorder staat op 44 minuten 20. Marina heeft het boek teruggelegd en lijkt niet van plan weer te gaan zitten. Ineens schiet me nog wat te binnen: een citaat van de burgemeester van Berlijn: ‘Het was een Georgiër die Duitsland splitste, Stalin, en het is een Georgiër die Duitsland verenigde, Sjevardnadze.’ Ik vraag naar het laatste standbeeld van Stalin in diens geboorteplaats Gori, dat vorig jaar op last van Saakasjvili in het holst van de nacht omver is gehaald.

 

Was dat terecht?

 

„Ara, ara”. Nee.

 

Waarom niet?

 

„Stalin komt uit Gori. In 1961, toen Chroesjtsjov alle Stalin-monumenten liet weghalen, gingen de inwoners van Gori de straat op. Het waren er 70.000, misschien 80.000. Ze waren op het plein gaan liggen en zeiden: ‘Rijd maar over ons heen met jullie tanks.’ Mijn voorganger heeft toen met Moskou gebeld, met als resultaat dat dit ene beeld mocht blijven staan. Het was een legaal monument. Dat Saakasjvili het heeft laten verwijderen was illegaal. Bovendien: Wat was er verkeerd aan?”

 

Stalin wordt gezien als een massamoordenaar.

 

Sjevardnadze verstaat me niet. Lela moet mijn opmerking herhalen, luider.

 

„Sinds ik met pensioen ben, heb ik alle boeken over Stalin gelezen. Ik ben van mening dat hij een groot denker was. Hij zei: Hitlers komen en gaan, maar Duitsland, de Duitse samenleving, zal altijd blijven bestaan.”

 

 

Marina: „Stalin zei dat in 1942, toen het Duitse leger aan de rand van Moskou stond.”

 

Wat zijn verder Stalins verdiensten?

 

„Ik vind dat Stalin zijn taken als politicus naar behoren heeft uitgevoerd.”

 

Marina: „Maar Edoeard, je vergeet de repressie. Je bedoelt dat hij de Sovjet-Unie heeft opgebouwd.”

 

Ik schiet haar te hulp.

 

Waar doelt u op als u zegt dat Stalin ‘zijn taken als politicus naar behoren heeft uitgevoerd’?

 

Marina souffleert iets.

 

Sjevardnadze: „Heel Europa was in de greep van Hitler…”

 

Marina: „Stalin heeft fascistisch Duitsland overwonnen.”

 

Dus verdient hij een standbeeld?

 

Sjevardnadze: „Duitsland verslaan, het fascisme verslaan, was geen eenvoudige opgave. Het volk geloofde in Stalin, de mensen vertrouwden hem. Dat vertrouwen heeft hij kennelijk weten te winnen.”

 

U geloofde vroeger ook in hem?

 

„Ik geloofde in Stalin en ik geloof nog steeds in hem.”

 

Marina, schel lachend: „Dit hoor ik voor het eerst!”

 

In welke hoedanigheid?

 

„Als politicus, als staatshoofd, als opperbevelhebber… Alle operaties die geleid hebben tot de overwinning op Duitsland zijn door hem uitgedacht.”

 

Maar wat te denken van de showprocessen, de grote terreur voor en na de Tweede Wereldoorlog?

 

„Weet u, er zijn mensen die menen dat 1937 (het jaar van de grote zuiveringen, toen talloze beklaagden tijdens rechtszittingen de meest bizarre bekentenissen deden, waarop hun doodvonnis volgde, FW) al te laat was. Als Stalin de vijanden die hij strafte vijf jaar eerder had gestraft, zou de Sovjet-Unie nog sterker zijn geweest.”

 

Marina, wanhopig nu: „Edoeard, misschien doel je op bepaalde figuren, maar toch niet op onschuldigen zoals je schoonvader? Of je eigen vader, die hadden ze toch ook bijna vermoord?”

 

Tegen ons: „Het ligt veel ingewikkelder.”

 

Stalin is ook verantwoordelijk voor de moord op uw schoonvader?

 

Sjevardnadze, onverstoorbaar: „Die processen waren openbaar. Ze werden bijgewoond door Politburoleden, ministers, maar ook door buitenlandse diplomaten en journalisten. Toen de beklaagden en masse schuld bekenden, werd er beweerd dat ze dat deden onder hypnose. Maar zelfs in de verslagen van de westerse waarnemers kunt u teruglezen dat zij niet waren gehypnotiseerd. Het ging om feiten, en die feiten gaven ze toe.”

 

U zegt: die processen waren niet gemanipuleerd?

 

„Ze waren niet gemanipuleerd.”

 

Marina: „Natuurlijk waren ze dat wel! Wat zeg je nou?”

 

Sjevardnadze: „Ik heb de onbevooroordeelde verslagen gelezen van Amerikaanse journalisten die erbij waren destijds.”

 

We hebben het over de zogeheten showprocessen in Moskou van 1937?

 

„Ja.”

 

Het begint me te duizelen: wat moet ik hiervan denken? Vallen er gaten in zijn geheugen, of is hij bij zijn volle verstand en wil hij bewust een statement maken?

 

Is het voor u van belang dat Stalin een Georgiër is?

 

„Ja, dat is belangrijk. Wij Georgiërs hebben hem onredelijk behandeld, het standbeeld dat van Chroesjtsjov mocht blijven staan, hebben wij eigenhandig omvergehaald. Het had daar moeten blijven staan.”

 

Wat zal er gebeuren met het Stalin-museum in Gori?

 

„Dat zullen ze niet sluiten, dat kan ik me niet voorstellen. Ik zou het een museum willen noemen ter bestudering van het fenomeen Stalin.”

 

Het ‘fenomeen Stalin’ – dat is ook zo’n gevleugelde Sovjet-frase. Het is voor het eerst dat ik me erover verwonder.

 

Waarom ‘fenomeen’?

 

Sjevardnadze, met een handpalm die openvalt. „Hij ís een fenomeen.”

 

Is dat een positief woord?

 

„Als u niet weet wat een fenomeen is, waarom praat ik dan met u?”

 

Ik bedoel: heeft het woord fenomeen in dit verband een positieve connotatie?

 

„Einstein. U heeft van hem gehoord?”

 

Hij was ook een fenomeen.

 

„Ja, een fenomenaal genie.”

 

En Stalin was een fenomenaal politicus?

 

„Een politicus die misschien zo zijn eigenaardigheden had, maar een fenomeen is een fenomeen en dat blijft hij.”

 

Maar wat voor soort fenomeen?

 

„Rusland was honderd jaar geleden een woestenij. En deze man heeft uit dat niets een supermacht geschapen, compleet met atoomwapens.”

 

Hij heeft het land gemoderniseerd.

 

„Hij heeft niet alleen gezorgd voor de industrialisatie, ook voor de collectivisatie van de landbouw...”

 

Ik val hem in de rede: Collectivisatie? De onteigening van de landbouwgronden heeft toch geleid tot de grote hongersnood in Oekraïne?

 

„Onder Chroesjtsjov leed Oekraïne honger…’

 

Marina probeert in te grijpen, maar ik kom terug op Stalins collectivisatie van de landbouw vanaf 1930. Is niet de balans daarvan de dood van miljoenen?

 

Marina: „Die vraag stond niet in uw lijst.”

 

Sjevardnadze, vaderlijk: „De antwoorden die u zoekt, staan in de boeken die ik heb geschreven. Leest u mijn memoires.”

 

Marina is bij ons komen staan. Ik vraag Sjevardnadze om een handtekening – dat was op aanraden van Marina, dat ik zijn boek zou meebrengen om het te laten signeren. Zij helpt hem overeind, we schudden opnieuw handen en dan begeleidt ze ons naar de deur. In de antichambre zegt ze: „U moet zelf beslissen of u die passages over Stalin wilt opnemen of niet. Maar weet wel dat zijn familie soms minder gelukkig is met sommige van zijn uitspraken.”

 

 

Frank Westerman

 

Dit verslag verscheen in mei 2011 in NRC Handelsblad en De Morgen