Hond aan tafel

12.02.2006
Vrijgezelle schrijvers, gescheiden schrijvers, schrijvers met kinderen - de bewoners van Peredelkino verplaatsen zich per ski. Op een driesprong in het sparrenbos, daar waar het Gorki-laantje uitkomt op het Gogol-pad, moet een heel schrijversgezin het langlaufspoor verlaten voor een Mercedes-jeep. De sneeuw knerpt onder de banden; het gezin kijkt toe. Pal achter de houten datsja die eens heeft toebehoord aan Konstantin Paustovski torent een ommuurde villa in Toscaanse stijl, afgeschermd door elektronische garagedeuren met videobewaking. Er schijnt een zoon van een omhooggevallen tv-magnaat te wonen.


,,Kapitalistisch realisme,'' zo typeren de dorpelingen de architectuurvoorkeur van de Nieuwe Russen. Of kortweg: kaprealism.


De opmars van de maffiose types met hun wansmaak en hun opzichtige consumptiepatroon lijkt onstuitbaar. Voor een cultuurhistorisch monument als Peredelkino, bakermat van het socialistisch-realisme, tonen zij geen greintje respect. Integendeel, zij hebben hun oog laten vallen op deze beboste heuvel en gedragen zich as if they own the fucking place -- wat in toenemende mate het geval is.
Op steeds meer percelen verrijzen kottidzji (cottages), die vijfmaal zo volumineus zijn als een traditionele familiedatsja. Een sprookjesburcht met zinken daken en betonnen kantelen in het Friedrich Engels-laantje -- niemand kijkt er meer van op.
En dat terwijl Peredelkino, 's werelds eerste van staatswege opgezette schrijverskolonie, in 1935 was gebouwd naar een uniform ontwerp: langs een visgraat van zandweggetjes timmerden de kameraden vierentwintig identieke buitenhuisjes van twee verdiepingen, met een serre als een scheepsromp. De door Stalin uitverkoren schrijvers dienden in dit literaire laboratorium het socialistisch-realisme vorm te geven en te ontwikkelen.


Ondanks het tragische lot dat veel sovjetschrijvers tijdens de terreurjaren ten deel viel, is de nederzetting Peredelkino altijd een enclave gebleven waar het intellectuele Rusland -- zij het in verminkte vorm -- de Sovjet-Unie heeft overleefd. Die sfeer, in de beste Tolstojaanse traditie, laat zich her en der nog opsnuiven. Bijvoorbeeld in het Tsjoekovski-Huismuseum, waar Lev Sjilov de kinderen uit Peredelkino op winterzondagen voorleest uit de sprookjes van Kornei Tsjoekovski. Vandaag gaat het over Krokodil Krokodillovitsj, en de kring luistert met open mond. Sjilov is in de zeventig, hij heeft de zilveren haardos van een dirigent, en tijdens zijn voordracht plooit hij zijn gezicht in alle denkbare uitdrukkingen.


Als Sjilov klaar is en de kinderen mogen kleuren, vertelt hij over de schrijver-dichter Kornei Tsjoekovski, die hier tot zijn dood in 1969 heeft gewoond. Het huis met zijn krakende vloeren en trappen is tegenwoordig een staatsmuseum, en Sjilov is daarvan de directeur. In die hoedanigheid waakt hij over de Oxford-toga die Tsjoekovski kreeg omgehangen voor zijn vertaling van de gedichten van Walt Whitman, en ook over de achterkamer waar Aleksandr Solzjenitsyn zich in 1968 enkele maanden schuilhield. Moeilijk te bevatten dat er op deze plek een stukje van de Goelag Archipel is geconcipieerd, en dat de fiets die buiten op de veranda staat de fiets van Solzjenitsyn was. Groene spatborden, roestige kettingkast. Solzjenitsyn reed ermee naar het nabijgelegen dorpskerkje uit de zestiende eeuw, waar de nederzetting Peredelkino haar naam aan heeft te danken.


Sjilov: ,,Men zegt tegen mij: 'Waarom brengt u die fiets niet onder de hamer bij Sotheby's? Dan is het museum in een klap uit de geldzorgen!' Maar die fiets is niet van mij, dus heb ik het recht niet om die te verkopen.''


De museumdirecteur heeft zichtbaar moeite met het postcommunistische tijdsgewricht. Hij overweegt een bronzen plaquette van Tsjoekovski aan de buitenmuur te hangen. ,,Maar ja, brons,'' zegt hij. ,,Die jongens uit de buitenwijken hebben daar een neus voor. Dat wordt binnen de kortste keren gesloopt en doorverkocht.''


De stad Moskou is tot op een kilometer van de schrijverskolonie genaderd; de flats van de wijk Solntsevo hebben zich aan de rand van de nederzetting geposteerd, alsof ze iets met elkaar te bespreken hebben.


En zo verslaan de dragers van het kapitalistisch realisme de dromers uit Peredelkino. Wat de KGB nooit helemaal gelukt is, het uitroeien van de laatste toevluchtsoorden voor vrije geesten, daarin lijkt de brigade van Mercedes-rijders te slagen. Officieel huren zo'n honderd schrijversgezinnen een gesubsidieerde datsja van het Literatuur Fonds (LitFond), van de staat dus, voor een periode van vijfentwintig jaar. Maar in de Moskouse kranten wordt de grond onder hun voeten intussen te koop aangeboden. Vraagprijs: 14.000 dollar per honderd vierkante meter. Peredelkino als locatie, dat geeft extra cachet aan het cottagebezit. ,,Wie zich verzet, is zijn leven niet zeker,'' zegt Lev Sjilov, en hij voert de eigenwijze kioskhouder ten voorbeeld, die zijn wodka- en worstkraampje niet wilde verplaatsen. Hij is van dichtbij met kogels doorzeefd. ,,Perestrelkino,'' zeggen de bewoners tegen elkaar. Van het werkwoord strelat, schieten.


Sjilov noemt de sluipende teloorgang van Peredelkino akte twee van een absurdistisch, maar stinkgevaarlijk toneelstuk. Zijn eigen leven is getekend door het spook van het communisme, dat de afgelopen decennia in dit bos heeft rondgewaard. Hij dacht dat het ergste voorbij was, maar vergiste zich en vraagt zich nu hardop af hoe dat mogelijk was.


Gezeten aan de schrijftafel van Kornei Tsjoekovski, met uitzicht op berijpte takken en het tuinhuisje van Boris en Zinaïda Pasternak, vertelt Sjilov over zijn vroegste herinnering. Hij was vijf. Een warme dag in de nazomer; rode vaandels, paarden. Het moet de viering van de verkiezingsdag voor de Opperste Sovjet zijn geweest, in 1936. ,,Kameraad Stalin had ons de meest democratische grondwet van de hele wereld geschonken. Iedereen was uitgelaten, dat weet ik nog goed.''
Levs grootmoeder heette Lidia Seifoellina, een Tartaarse van eenvoudige boerenkomaf. Zij was actrice, pedagoge, een vurig predikster van het socialisme, die al in de jaren twintig een aantal stichtende titels op haar naam had staan. Zoals haar toneelstuk Mest, waarin een nietsnut van een boer door de idealen van de revolutie wordt gegrepen. Als beloning kreeg zij als een van de eersten een datsja in Peredelkino toegewezen, datsja nummer 11.


Het dorp, dat nog naar hars en pas gezaagde stammetjes rook, bood een idyllische aanblik. Isaak Babel genoot van het plattelandsbestaan (het tijdig opstoken van de haard, water halen uit een put) en nam de censuur op de koop toe. Lidia Seifoellina niet. Zij betoogde dat het rode potlood van de censor een roman zwaarder kon verminken dan een stalen mes en waarschuwde de partij-ideologen om niet te rigoureus op te treden: dat zou contraproductief werken. ,,Immers, een al te strenge censuur roept afwijkende gedachten op!''


Het duurde niet lang of ook zij hield haar mond. Haar kleinzoon Lev had de omslag niet meteen gemerkt. Hij herinnert zich wel de feestelijke maaltijden op de datsja van Bruno Jasienski, een Poolse futurist die asiel had gevonden in de Sovjet-Unie en die alleen nog in de taal van Lenin wenste te schrijven. ,,Bruno Jasienski had een grote herdershond, en die mocht ook aan tafel zitten. Gewoon op een stoel.''
Toen Lev een keer bronchitis had, bracht oom Bruno hem in zijn auto (er waren drie autobezitters in Peredelkino; Babel en Pilnjak hadden er ook een) naar het Kremlinziekenhuis in Moskou. Maar toen ineens, op een dag, was de Pool er niet meer, en er werd niet meer over hem gesproken. Zijn datsja kwam leeg te staan, en werd in gebruik genomen als gastenverblijf voor bezoekende schrijvers. Een vaag besef van wat er met oom Bruno gebeurd kon zijn, drong pas tot Lev door nadat ook zijn grootvader op een dag in 1938 verdween. ,,Ik was gek op hem. Hij was jager en had een dubbelloops geweer. Hij maakte zelf patronen in het schuurtje in de tuin, en ik mocht met de hulzen spelen.''


Maar grootvader viel in ongenade. De toneelstukken die hij samen met zijn vrouw had geschreven (onder de namen Seifoellina -- Pravdoechin) werden herdrukt met alleen het opschrift Seifoellina, en dat was het dan.


,,We bewaarden die toneelstukken van grootvader wel, en ik wist ook waar ze lagen -- onder het bad -- maar toen ik ze een keertje tevoorschijn wilde halen, kreeg ik een tik op mijn handen. 'Blijf daarvan af,' gilde mijn moeder.''


Boris Pilnjak was als eerste verdwenen, en anderhalf jaar volgde Isaak Babel. Later ving Lev de verhalen daarover op. ,,Pilnjak, ja, die had verre reizen gemaakt. Naar Japan en Amerika. Er werd gezegd dat hij misschien wel een echte spion was. En Babel. Die werkte aan een boek over de geheime dienst! Dat was vragen om moeilijkheden.''


Zelfs grootmoeder Lidia, die haar eigen man was kwijtgeraakt, bleef naar rechtvaardigingen zoeken. Uit de verhoorstenogrammen bleek dat opa Pravdoechin een volledige bekentenis had afgelegd (over zijn deelname aan trotskistische, terroristische cellen), en daar was het gezin toch wel erg van geschrokken. Niet dat Levs grootmoeder de aanklacht tot in detail geloofde, maar het zaad van de twijfel was gezaaid.


Terugkijkend denkt Sjilov dat dat misschien nog wel het ergste was, dat de bewoners van Peredelkino de terreur een plaats in hun midden toestonden -- als de hond die aanzat bij Bruno Jasienski thuis.


Om greep te krijgen op dat verleden geeft Sjilov in eigen beheer brochures uit: dubbelgevouwen A4-tjes onder de kop Uit de geschiedenis van het schrijversstadje Peredelkino. De bijzonderheden omtrent de arrestatie van Boris Pilnjak kosten 10 roebel (vier eurocent); een iets uitgebreider verhaal over de affaire-Pasternak rond de toekenning van de Nobelprijs: 20.


Sjilov heeft die episode van nabij meegemaakt. Als literatuurcriticus woonde hij destijds (in 1958) in de datsja die eerder aan Paustovski was toegewezen. Op 23 oktober drong het nieuws tot Peredelkino door dat de schepper van Doktor Zjivago 's werelds hoogste literaire onderscheiding had gekregen wegens buitengewone diensten aan de moderne lyrische poëzie en het hooghouden van de traditie van het grote Russische proza. Kort daarop werd de kolonie overspoeld door leden van de Rode Jeugd, de Komsomol, die Pasternak voor judas uitmaakten en dreigden zijn datsja in brand te steken. Pasternaks verraad bestond erin dat hij het manuscript van Dokter Zjivago -- door de censuur verboden als contrarevolutionair -- het land had laten uitsmokkelen, zodat het in 1957 in Italië had kunnen verschijnen.
Aan de hand van een door Sjilov getekend plattegrondje (10 roebel) is exact te achterhalen wie waar heeft gewoond. Zo was de achterbuurman van Pasternak de gevreesde Aleksandr Fadejev, van 1939 tot 1954 voorzitter van de machtige Sovjet-Schrijversbond. Fadejev was een zetbaas en een scherprechter, bijgenaamd Stalins schaduw, die anderen voorschreef wat het socialistisch-realisme diende in te houden (het is de kunst de mens juist uit te beelden, zoals hij is, en tegelijkertijd zoals hij moet zijn).


In 1946 zette Fadejev de dichteres Anna Achmatova en de satiricus Michael Zosjenko uit de Schrijversbond, aangezien zij elk geloof in de mens zouden hebben laten varen. Hij dwong non-conformisten tot openbare zelfkritiek, een ritueel waaraan hij zich eind jaren veertig ook zelf moest onderwerpen. Zijn roman De Jonge Wacht, over Oekraïense dorpskinderen die in de strijd tegen de Duitse bezettingsmacht tot de meest heroïsche verzetsdaden komen, was weliswaar in 1945 bekroond met de Stalinprijs, maar werd in de herfst van 1946 -- door een plotseling ingetreden verkilling in het cultuurbeleid -- alsnog aangevallen: de auteur was tekortgeschoten door zijn jonge verzetsbende spontaan te laten opstaan, en niet onder aanvoering van een communistisch leiderstype.


Kameraad Fadejev, die Stalin consequent had geprezen als het machtige genie van de arbeidersklasse, trok zich terug in zijn datsja en ging op zapoj, een onvertaalbare Russische benaming voor een meerdaagse vlucht in het delirium van de wodka. Met moeite krabbelde hij op en deed wat er van hem werd verwacht: hij beleed publiekelijk zijn schuld.


In 1948 op een congres in Polen, ,,Intellectuelen op de bres voor de Vrede'', was hij weer helemaal de oude. Hij voer uit tegen een school van westerse schrijvers die de agressie zou propageren, waartoe hij T.S. Eliot, Eugene O'Neil, John Dos Passos, Henry Miller, Jean-Paul Sartre en André Malraux rekende. ,,Als hyena's konden typen en jakhalzen kroontjespennen konden hanteren, dan zouden zij zulke werken produceren die deze mannen hebben geproduceerd,'' tekende The New York Times van 26 augustus 1948 uit zijn mond op.


Terug in Moskou zette Fadejev zich aan het herschrijven van De Jonge Wacht. Tijdens jaren van geploeter, waarbij hij bestaande passages liet opzwellen en vijf extra hoofdstukken inlaste, viel hem het leedvermaak van de schrijversgemeenschap ten deel.


,,Waar is Fadejev toch mee bezig? zo ging de grap in Peredelkino. 'Oh, die werkt aan De Dikke Wacht.'''


De datsja van Fadejev lijkt op een barak. De verf bladdert, de ramen kieren en de trap naar de veranda is verzakt. Wie zojuist bij Lev Sjilov de zelfmoordbrief van Fadejev heeft gekocht (15 roebel) die de schrijver op 13 mei 1956 achterliet, kan niet onverschillig aan dit huis voorbijgaan. De avond tevoren had hij zich aan zijn schrijftafel gezet. ,,Ik zie geen mogelijkheid om verder te leven.'' Hij stelde een aanklacht op tegen de Partij en haar nieuwe leider Nikita Chroesjtsjov, die drie maanden tevoren in een geheime speech zijn in 1953 gestorven voorganger Stalin van wandaden had beticht.


Literatuur in de geest van Lenin, schrijft Fadejev, dat is zijn leven, en nu wordt dat alles verkwanseld, de Partij heeft gekozen voor een anti-leninistische koers, en ja, dan heeft verder leven geen zin.


Nog maar kort tevoren was De Dikke Wacht voltooid, doordrenkt van lof aan Stalin, en nu was het verdomme weer niet goed. ,,Ik verzoek u mij naast mijn moeder te begraven,'' besluit Fadejev in zijn in 1997 vrijgegeven afscheidsbrief. Hij had zijn overhemd uitgetrokken en zich door zijn linkertepel geschoten.
Boris Pasternak was een van de weinigen geweest die redelijk goed met zijn buurman wist om te gaan. Maar hij was zich er altijd van bewust dat wanneer Fadejev de opdracht zou krijgen hem op te hangen of te vierendelen, hij die taak getrouw zou uitvoeren. ,,Hoewel hij dan bij zijn eerstvolgende bui van dronkenschap zou vertellen wat voor geweldige vent ik was geweest en hoezeer het hem speet.''
Boven het opgebaarde lichaam sprak Pasternak de volgende woorden: ,,Aleksandr Fadejev heeft zichzelf gerehabiliteerd.''


De datsja van Fadejev, alsook de herinnering aan deze door niemand geëerde schrijver, zal eerdaags verdwijnen. Het huis is momenteel in gebruik als bouwkeet voor Oezbeekse gastarbeiders, die het aanpalende perceel hebben gerooid en geëgaliseerd. Voor de deur staan sloffen die uit afgedankte autoband zijn gesneden, de werklui zelf staan verderop achter de betonmolen, of dribbelen gekromd met vijftig-kilozakken cement op hun rug.


Het met dennenappels bestrooide Visnjevski-laantje loopt dood op een rood-witte slagboom; daarachter staan vijf villa's in aanbouw. Ze lijken op cruiseschepen, lelijk en kolossaal. Het Visnjevski-laantje? Volgens de plattegrond van Lev Sjilov stond hier op nummer 3 de datsja van Isaak Babel, met in de nok de duiventil die hij eigenhandig had gebouwd. Er is geen spoor meer van te bekennen, en het vlakgeploegde terrein nodigt evenmin uit tot archeologie: in een kubus van spiegelglas houdt zich de bewapende bewakingsdienst schuil.


,,Is het geen schande?'' zegt Lev Sjilov. ,,De datsja van Babel is onder onze ogen gesloopt. Het huis was in de jaren zestig in verval geraakt, daarna heeft LitFond geprobeerd het op te knappen als gastverblijf. Maar twee jaar geleden is de boel afgebroken. Zelfs het fundament is er uitgetrokken, als een rotte kies.''
De Moskouse acteur en horecabaas Anton Tabakov, die furore maakte met zijn exclusieve restaurant 'Bij Oblomov', zal de plaats van Isaak Babel innemen. Zijn beoogde buurman, de eigenaar van een keten hypermoderne tandartspraktijken, is tijdens de bouw failliet gegaan; het betonnen karkas van zijn Dallas-achtige optrekje staat er hologig bij -- in de steek gelaten door de bedrijvige Oezbeken.


Dat de kaalslag in het hart van Peredelkino legaal zou zijn, daarmee moet je bij Lev Sjilov niet aankomen. ,,Ach, wat is legaal? Vergunningen zijn in Rusland te koop, net als de rechters die je in het gelijk stellen.'' Sjilov vreest dat ook zijn Tsjoekovski-museum en de bijbehorende bibliotheek voor kinderliteratuur niet veilig is. De Peredelkino-bewoners hebben al met lede ogen moeten toezien hoe het plaatselijke sanatorium voor tbc-patienten door onroerend-goedspeculanten is opgekocht en ontruimd. En op het veld tegenover de datsja van Pasternak (sinds 1990 eveneens een museum) heeft de Russische patriarch, Aleksi II, een zomerverblijf laten bouwen.


Ondanks de gevaren is er een bewonerscomité-in-oprichting, een actiegroep die haar hoop heeft gevestigd op de Verenigde Naties. Door Peredelkino, toch een cultuurhistorisch monument, tot erfgoed van de mensheid te laten uitroepen zou het dorp onder de protectie van de Unesco kunnen komen. Of daar een effectieve bescherming van uitgaat, weet niemand. Maar het heeft één voordeel: de Unesco uitschakelen, daar is meer voor nodig dan één gericht schot.


Frank Westerman
(NB: eerder verschenen in De Standaard der Letteren)