Het 'word-als-wij'-offensief


27.03.2005

Soms moet je eerst de halve wereld over reizen om scherper zicht te krijgen op het land waar je woont. Uitgerekend Park Station in down-town Johannesburg, tachtig breedtegraden zuidelijker dan pakweg Den Haag Hollands Spoor, zette me aan het denken over het geknetter tussen de rassen en culturen in eigen land. In een kuipstoeltje zat ik daar vorig jaar april te wachten op een lange-afstandsbus, terwijl ik de resterende tijd liever buiten had doorgebracht. Dat ging niet. Park Station is een zwaarbeveiligde enclave, een vluchtheuvel die je als blanke onder geen beding te voet mag verlaten. Het hart van Johannesburg is tien jaar na de apartheid veranderd in een no-go area voor blanken. Alsof er bij elke steeg een bordje ‘slegs vir swartmense’ hangt, en wie de proef op de som neemt wordt tot op zijn witte vel uitgekleed.

 

De ANC-regering zegt een voorbeeldige ‘regenboognatie’ te willen bouwen, en probeert de scheve raciale verhoudingen recht te trekken met ‘positieve discriminatie’ van zwarten. Als buitenstaander kun je daar gemakkelijk kritiek op hebben (is dat niet ook racisme en dus fout?), maar ik wilde mijn meningen liever bewaren voor de samenleving waar ik zelf deel van uitmaakte. Wat vond ik er eigenlijk van dat Nederland de ‘uitlanders’ binnen zijn grenzen met dwang wil voegen naar de dominante (blanke) cultuur? Daar, in het surreële Park Station, dacht ik na over de aanpassingen die ‘wit’ Nederland van ‘zwart’ Nederland eist en zag een parallel tussen het integratiebeleid en de ontwikkelingshulp. Onze inspanningen om niet-westerse culturen in eigen land te ‘integreren’ en inheemse volken in den vreemde te ‘ontwikkelen’ berusten op dezelfde misvatting. In beide gevallen zie je eenzelfde patroon: hoe dwingender het idee van ‘word zoals wij’, des te groter de weerstand en uiteindelijk de kloof.

 

In Gaborone, Botswana, was ik erachter gekomen dat de ontwikkelingswerker zo zoetjes aan in het museum kon worden bijgezet. Op een Frans ambassadefeestje was ik gewezen op een man van blanke huid met wilde krullen, van hetzelfde grijs als zijn wenkbrauwen, die met een cocktail in de hand zat te luisteren naar de uit Madagascar ingevlogen jazzband.
,,Dat is Ernst Engels’’, werd er gefluisterd. ,,Hij is de laatste der ontwikkelingswerkers.’’
,,Engels?’’ vroeg ik. ,,Als in Friedrich Engels?’’
,,Ja, ja, dat is de broer van zijn overgrootvader.’’ Ernst Engels bleek in 1978 in Afrika te zijn beland op een tweejarig contract - om nooit meer te vertrekken.
Dat hij een exemplaar van een uitstervende soort was, had niet als een verrassing hoeven komen. Als irrigatie-ingenieur die korte tijd aan het ontwikkelingswerk had deelgenomen, was ik vooraf gewaarschuwd: al bij de voorbereiding van mijn reis had ik bemerkt dat ik niet langer kon terugvallen op de tropenwerkers die ik nog kende uit mijn studietijd. Godelieve, Jaco, Pieter en Agnes - bij mijn weten bestierden ze in Botswana hulpprojecten van de SNV, de Stichting Nederlandse Vrijwilligers. Maar kennelijk had ik een jaar of wat niet opgelet, want iedereen was weg. Het SNV-kantoortje in Gaborone zat dicht. Bij navraag vernam ik dat de ‘in het veld’ gestationeerde experts de laatste jaren en masse waren teruggeroepen, uit de hele Derde Wereld. Ook de Nederlandse overheid was in 2000 - na vier decennia - gestopt met het plaatsen van ‘technisch assistenten’ in de uithoeken van de tropen. Het tijdperk van de archetypische ontwikkelingswerker, waartoe ik zelf was opgeleid, bleek geruisloos en haast ongemerkt ten einde gekomen.

 

De ontwikkelingswerker had ook al weer een opvolger: in zijn voetspoor trad tegenwoordig de militair. Ditmaal niet als deelnemer aan ‘politionele acties’, maar als vooruitgeschoven pion bij ‘vredeshandhaving’. Tot in de jaren zeventig kon je in Nederland onder de dienstplicht uitkomen door je aan te melden voor het vrijwilligerswerk in Afrika; sinds kort gaan jongeren vrijwillig bij het leger om met een mitrailleur voor de borst bijvoorbeeld de grens tussen Ethiopië en Eritrea te bewaken - als VN-soldaat.
Vroeger als scholier was ik vastbesloten dienst te weigeren, en vreemd genoeg had ik tijdens mijn opleiding tot irrigatie-ingenieur ook gewetensbezwaren gekregen tegen het ontwikkelingswerk. De hoogleraar irrigatie van onze vakgroep in Wageningen waarschuwde dat negen van de tien bevloeiingsprojecten mislukten - of kwalijker: hele gemeenschappen ontwrichtten. Er was iets mis met de ontwikkelingshulp, en dat lag misschien wel aan het achtervoegsel ‘-hulp’, wat te schoolmeesterachtig overkwam en beter plaats kon maken voor het suffix ‘-samenwerking’.
Maar ook de ontwikkelingssamenwerking bracht niet wat ervan verwacht werd. Hoe de achterstand ook werd aangepakt - grootschalig, kleinschalig, programmatisch, projectgericht, participatief - niets hielp. De geïnjecteerde miljoenen hadden een corrumperende en verlammende werking, ze veranderden een land als Guinee-Bissau in een collectief van hulpverslaafden dat lusteloos aan het donorinfuus bungelde.

 

Nadat ik zelf - op stage bij de indianen van Peru - aan de ontwikkelingspraktijk had meegedaan, raakte ik ervan overtuigd dat de denkfout al zat ingebakken in het woord ‘ontwikkeling’. Dat veronderstelde dat er een weg moest worden afgelegd, omhoog en vooruit, en dat de aanbieder van die ontwikkeling wist waarheen er ontwikkeld diende te worden.

 

In de grofweg vier decennia van het ontwikkelingstijdperk (1960-2000) zijn er verschillende fases doorlopen. De aanvankelijke no-nonsense aanpak van het rücksichtlos overplanten van Westerse technologie, in de geest van de Marshallhulp die voor Europa zo heilzaam was gebleken, had al in de jaren zestig geleid tot nooit gebruikte tractorparken en onder stuifduinen bedolven machinerie. Van de weeromstuit zwoeren de tropenwerkers een decennium lang bij ‘aangepaste technologie’ (liever een kameel die al rondjes lopend een waterstraaltje oppompt, dan een krachtige, maar onderhoudsgevoelige dieselpomp). Dit houtje-touwtje-idee sloot aan bij de alternatieve bewegingen in West-Europa, maar had geen meetbaar effect in de Derde Wereld. Toen de milieulobby opkwam ging het roer opnieuw om, richting ‘duurzame ontwikkeling’ ditmaal, en tijdens de laatste feministische golf werden alle kaarten gezet op vrouwenprojecten.

 

Een studievriend die ik in 1995 in Guinee-Bissau bezocht, reed daar rond in een Nissan Patrol terreinwagen (met een ingebouwd ijskastje voor de blikjes cola op de plek van het handschoenenvak). Zijn taak? Islamitische Fulah-vrouwen minder afhankelijk maken van hun mannen - in opdracht van SNV. En nee, ook dat werkte niet.
De snelwisselende modes in het ontwikkelingsjargon waren afspiegelingen van ónze preoccupaties, en gaandeweg, uit ergernis over het uitblijven van resultaat, was de beschavingsdrang dieper en dieper tot de hulpindustrie doorgedrongen. Het idee van ‘the white man’s burden’, ooit een nuttig voorwendsel voor de onderwerping van Afrika, was terug van nooit echt weggeweest. 

In de jaren negentig verdween ook de politieke correctheid uit het van oudsher linkse ontwikkelingscircuit. Ineens was het niet langer taboe je gal te spuwen over plaatselijke opperhoofden die met hun machtswellust en cliëntelisme de ontwikkeling zouden saboteren. Je zag de grr-factor toenemen, het gevoel van grr, die achterlijke natives willen het domweg ook niet leren ook. De opgekropte frustratie baarde weer een nieuw sleutelbegrip: good governance. Vrij vertaald: jullie hebben er zo’n bende van gemaakt dat we alleen nog willen helpen op voorwaarde dat jullie eerst de corruptie afzweren en de stammentwisten staken. Dat de voorafgaande, subtielere vormen van bedilzucht nauwelijks dankbaarheid maar vooral bot verzet hadden opgeroepen - in de gedaanten van een Desi Bouterse en een heel palet aan Afrikaanse krijgsheren - dat leek vrijwel niemand onder ogen te willen zien.


De voorhoede van zachte heelmeesters heeft gefaald. Het legioen van tachtigduizend buitenlandse experts dat in de jaren tachtig op het Afrikaanse continent aan het werk was (meer dan er ooit koloniale ambtsdragers waren), is verslagen bij de strijd tegen de onderontwikkeling. Meer dan eens waren zij door rebellen omsingeld, en moesten ze met helikopters worden ontzet. Hun plaats is nu ingenomen door vredessoldaten die geen palaver beginnen onder de kapokboom, maar met een gebaar van hun geweerloop eisen dat die kofferbak open moet. In door oorlog verscheurde landen als Liberia, Sierra Leone, Congo, Angola en Ethiopië zien deze militairen er vroeg of laat op toe hoe er stembussen worden ingevlogen en verspreid, in de hoop dat er democratieën van Westerse kweek wortel schieten.
Misschien los je zó de ellende in de wereld op, met militaire hand. Maar ik heb mijn twijfels en ben geneigd te zeggen: bemoeizucht vermeerdert smart. Nuttiger, want vrij van wrevelwekkende bevoogding, lijkt me het slechten van oneerlijke handelsbarrières, of het afdwingen van nette gedragscodes voor multinationals die hun fabrieken naar lage-lonenlanden verplaatsen. En ook: te hulp schieten bij rampen of bij volkerenmoord is niet betuttelend, dat is ieders boerenplicht. Een internationale troepenmacht voor de vluchtelingen van Darfur, liefst onder VN-vlag, die moet er komen voor het te laat is.

 

Waar het telkens weer mis gaat is bij dit scharnierpunt: zodra betrokkenheid omslaat in pogingen de ander te willen heropvoeden. De aanvechting om ‘word zoals wij’-hulp te bieden is kennelijk onweerstaanbaar groot, want van alle tijden. Halverwege de twintigste eeuw probeerde de Belgische kolonisator de Congolezen te verheffen tot ‘évolués’: wie een blanke levensstijl overnam, kwam (vanaf 1948) in aanmerking voor ‘de kaart van burgerlijke verdienste’, vier jaar later gevolgd door een nog gewichtiger papier: ‘het statuut van de geïmmatriculeerde’. Zulke certificaten lijken op de ‘vignetten’ die de Nederlandse minister van Integratie in 2004 wilde toekennen aan allochtonen met een bepaalde graad van inburgering. Ook al is dat plan niet uitgevoerd, het legt de assimilatiegedachte achter het Nederlandse integratiebeleid bloot. Onze niet-westerse landgenoten hebben in die visie nog een hele beschavingsweg af te leggen voor ze als ‘geëvolueerden’ kunnen opgaan in de maatschappij.

 

Natuurlijk kun je niet een één op één vergelijking maken tussen de missie van minister Verdonk en de beschavingsijver van koloniale bestuurders, of die van de beleidsmakers achter het ontwikkelingswerk. Het maakt nogal wat uit of je gedachtegoed dat in West-Europa heeft kunnen rijpen exporteert naar de tropen, of met toewijding cultiveert in eigen land. Een ander wezenlijk verschil: met de moord op Theo van Gogh heeft een allochtone jihad-strijder op Nederlands grondgebied toegeslagen. Het zou absurd zijn om de beginselen van de rechtsstaat te laten ondermijnen uit een doorgeslagen cultuurrelativisme. Maar om nu de gewenste culturele aanpassingen van niet-westerse allochtonen (homofobie afleren, hoofddoekjes afleggen, et cetera) met dirigisme en moralisme af te dwingen, dat werkt averechts. Precies die bevoogdende aanpak heeft zich ook in de Werdegang van het ontwikkelingswerk afgetekend, en zal zich wreken. In beide gevallen gaat een naïef maakbaarheidsgeloof hand in hand met de minstens zo naïeve veronderstelling dat niet-westerse culturen het zich zullen laten welgevallen wanneer westerlingen hun vermeende culturele zwaktes komen ‘fixen’. Als het gaat om gedwongen inburgering en bijbehorende projecten ter correctie van de veronderstelde achterlijkheid van migrantengroepen in Nederland, zie ik akelige overeenkomsten met de stadia die het ontwikkelingswerk heeft doorgemaakt. Het is alsof de geschiedenis van de Westerse inspanning om de Derde Wereld te ‘ontwikkelen’, met haar toenemende grr-factor, zich de laatste paar jaar samengebald aan het herhalen is in het Nederlandse beleid om de vreemdelingen hier te lande te ‘integreren’ in de samenleving. De zachte heelmeesters (linkse straathoekwerkers) die ijverden voor een idyllische multiculturele samenleving zijn verdwenen. De grr-factor is hoog opgelopen en het devies is nu: schikken of stikken. In no time zijn de inburgeringseisen voor allochtonen aangescherpt als onderdeel van een ‘word zoals wij’-offensief. Of het nu gaat om het publiekelijk aan de kaak stellen van een imam die weigert vrouwen (zelfs een bewindsvrouw) de hand te schudden, of de aankondiging om gezakte inburgeraars met sancties te straffen, steeds opnieuw krijg je de indruk dat de overheid met het woord integratie assimilatie bedoelt. Zoniet disciplinering.

 

Nederlands spreken, een uitgestrekte hand aannemen, iemand aankijken tegen wie je spreekt - dat zijn gangbare omgangsvormen in Nederland. Maar gelukkig nog Nederlandser is de vrijheid om je daar niet aan te hoeven houden. Wat wel en niet is toegestaan staat omschreven in de wet. Imams uitzetten die tijdens hun preken strafbare feiten plegen, dat lijkt me gewoon het toepassen van de regels (als de toetsing daarvan tenminste aan de rechter wordt overgelaten).

 

Maar neem nu het besluit om uitgerekend de protestants-christelijke Vrije Universiteit imams te laten opleiden, met overheidsgeld, in de hoop dat zij een verdraagzame uitleg van de koran zullen prediken. Het is een goedbedoeld experiment in maakbaarheid met als voorspelbare uitkomst de radicalisering van al dan niet zelfbenoemde korangeleerden in het huiskamer- of internetcircuit, die deze ‘valse profeten’ te vuur en te zwaard zullen willen bestrijden. Zulke belerende en ondoordachte projecten keren zich tegen zichzelf.


In 1983, het jaar dat ik aan mijn opleiding tot ontwikkelingswerker begon, verscheen er een boek van de Zweed Goran Hyden over de pogingen om Tanzania op te stoten in de vaart der volkeren. No shortcuts to progress, luidt de titel. Hetzelfde gaat op voor de verplichte inburgering van de Nederlanders van buitenlandse afkomst. Dat de groeiende anti-westerse haat onder vooral islamitische allochtonen eerder wordt aangewakkerd dan weggenomen door hen met strakke hand tot ‘integratie’ te bewegen - dat weegt kennelijk niet op tegen de feelgood-factor van de tentoon gespreide daadkracht.


Frank Westerman