Balkan-odyssee

Een standbeeld voor een paard

Een wonderlijker kerel dan Mihajlo ‘Mile’ Komasovic ben ik op de Balkan niet tegengekomen. Veelzeggend zwijgen kan hij. Doet hij zijn mond open dan komen er zinnen uit als: ‘Ik geloof niet in rechtvaardige oorlogen.’ Of: ‘Een goed mens is een onbaatzuchtig mens.’

Mile is opgegroeid langs de Snelweg van Broederschap en Eenheid, maar niemand noemt die nog zo. De ‘E70’ heet de asfaltstrook tussen Zagreb en Belgrado tegenwoordig, zonder verdere franje of fanfare. Vierbaans, tolpleinen, amper een bocht. Moeilijk voor te stellen dat wijlen minister Relus ter Beek nog heeft geholpen bij de aanleg ervan; al zingend en zandscheppend hoopte zijn jeugdbrigade hier de primitieve haat tussen de volkeren te begraven.

Ik rijd langs kale wilgen over de riviervlakte van de Sava op weg naar Mile, met een missie. In mijn tas zit een huldebetoon van een vrouw uit Maasdam ‘voor uw onvoorwaardelijke trouw aan de paarden van Lipik’. Bovendien mag ik namens de voormalige secretaris-generaal van de Internationale Lipizzaner Federatie tegen Mile zeggen: ‘U verdient een standbeeld!’

Of zo’n standbeeld er komt is dubieus. Zijn Kroatische landgenoten (de 61-jarige Mile is een Serviër) zien hem als de grootste paardendief van onze tijd, de man die er op een dag in december 1991, onder dekking van de mist, vandoor ging met een stuk nationaal Kroatisch erfgoed: een kudde lipizzaners uit de staatsstoeterij van het plaatsje Lipik, waar hij werkte als stalmeester.

Voorbij kilometerpaal honderd beginnen de heuvels van West-Slavonië. Ik neem de afslag ‘Lipik/Jasenovac’. Wat opvalt zijn de roestvrijstalen bordjes bij elk bospad: een van nieuwigheid glimmend doodshoofd dat je toeroept Pas op - Mijnen! Kilometers verwoesting trekken voorbij, bijna elke boerderij is een ruïne met boomkruinen die fier boven de dakspanten uitsteken.

Twintig jaar terug – in juni 1991 - was ik hier voor het eerst. Er was oorlog uitgebroken in Europa, pal aan de grens met Oostenrijk. Ik bezat een blauwe Renault 5 en wilde journalist worden. Met een vriend reed ik er heen, tot net over de grens van wat sinds een paar dagen Slovenië heette. Hoe kon een volk dat net als wij geraniums in de vensterbanken had staan, zomaar in oorlog raken? – dat was onze diepere onderzoeksvraag.

Ik kwam een citaat tegen van maarschalk Tito, van kort voor diens dood in mei 1980: ‘Er zijn booswillende lieden die voorspellen dat Joegoslavië op een dag uiteen zal vallen. Dat zal niet gebeuren, want ons volksleger, het leger van alle naties en nationaliteiten, waarborgt zijn voortbestaan.’ Van Dale daarentegen gaf bij het lemma ‘balkaniseren’: in kleine, elkaar vijandig gezinde stukken uiteenvallen. We lazen filosofische essays over de aard van het nationalisme, maar het hielp niet. Ik althans raakte de draad kwijt. ‘Nu ook gevechten in Oost-Slavonië’, meldde de BBC-radio. Slavonië? Was dat geen verhaspeling van ‘Slovenië?’

In oktober 1992 was ik terug, zonder auto, om mij in Belgrado te vestigen als correspondent van deze krant. Ik kwam te wonen in een betonwijk bij de monding van de Sava in de Donau, op zestien hoog aan de Ho Chi Min-boulevard. Ik huurde het appartement van een gevluchte jazz-criticus die niet wilde vechten, en die me bij onze kennismaking in Nederland zei: ‘Als iemand mij nu zou zeggen: “Over tien jaar werk jij op een kiwi-plantage in Nieuw Zeeland”, dan ben ik bereid hem te geloven.’ Ook citeerde hij de openinsgzin van een reportage uit Rolling Stone, over een loopgravengevecht tussen paramilitairen en reguliere troepen uit Bosnië-Herzegowina: ‘The undefinables are shooting the unpronounceables.

Ik ging op zoek naar patronen en symboliek en schreef over een makelaardij in etnische verhuizingen, ‘Zwaluw’. De eigenaresse bemiddelde bij woningruil tussen Serviërs in Kroatië en Kroaten in Servië. Ze sprak liever van etnische ontvlechting dan etnische zuivering en vond het ‘normaal’ dat mensen van dezelfde achtergrond bij elkaar wilden wonen. Menging, multiculturalisme, het smeltkroesidee – het was ‘tegennatuurlijk’. Ik hoorde toch ook het kanongebulder in verte?

Mij leek de haat die vrijkwam langs de Balkan-breuklijn tussen het katholieke Kroatië en het orthodoxe Servië abnormaal. Een politicus in Belgrado verkondigde dat je Kroaten nog het beste met een roestige schoenlepel kon vermoorden. Op zijn beurt zei de president van Kroatië dat hij blij was dat zijn vrouw niet Joods was en dat het wel meeviel destijds, met die uitroeiing van het Servische volk tussen 1941 en 1944 in het dodenkamp Jasenovac, het ‘Auschwitz van de Balkan’.

Geen wonder dat Mile Komasovic, als Serviër in Kroatië, in 1991 op de vlucht was geslagen zodra de Oorlog van het Einde van Joegoslavië uitbrak. Alleen: hij had de witte paarden, ’s lands levende kroonjuwelen, meegenomen. Achtentachtig waren het er. Mile had acht keer op en neer gereden met de veevrachtwagen, in het donker en door de mist. ‘Hij heeft de kudde ontvoerd’, zeiden de Kroaten.

‘Dat is een leugen’, zei Mile Komasovic toen ik hem in juni 2008 voor het eerst sprak. ‘Ik heb mijn dieren uit de vuurlinie gered.’ Hij zei dat de merries en hun veulens hem ‘smekend’ hadden aangekeken. Mile droeg witte Kappa-sneakers en een spijkerbroek die niet kon verhullen dat hij zelf graatmager was. Zijn oogkassen lagen diep verzonken. Hij vertelde ook over de razzia door Hitler-gezinde Kroaten in zijn geboortedorp - een oorlog eerder in februari 1944. Alle Servische jongens en mannen, 287 in getal, waren in rijen opgesteld en afgevoerd. Naar Jasenovac. Zijn eigen vader had zich in de bossen verstopt, daar had Mile zijn bestaan aan te danken.

‘Ik was reservist, maar ik heb mij niet gemeld’, zei hij. ‘Mijn moeder heeft me altijd op het hart gedrukt dat je beter kunt vluchten dan vechten.’ Paarden waren ook vluchtdieren, hij had ze niet kunnen achterlaten.

 

Met een haarspeldbocht draait de secundaire weg zich uit de beboste heuvels, de vlakte in. Tussen 1992 en 1995 stond hier een wachtpost van witte zandzakken, bemand door VN-soldaten uit Nepal. NepBat. Ze keken uit over de spoorbaan die met een boog door de velden loopt: het front en de uiteindelijke bestandslijn van 1991, met aan weerszijden niemandsland. Autonoom op een glooiing in het groen staat de oude ‘Habsburgse’ stoeterij van rode baksteen. Tanks en mortieren uit Tito’s pan-Joegoslavische Volksleger, bediend door Serviërs, hadden twee maanden aaneen staan vuren op de Kroaten in het stadje beneden. Ook de stoeterij was geraakt. De dekhengsten waren door de rook gestikt in hun stallen. De merries en veulens die buiten liepen hadden als schietschijven gediend - in totaal 17 paarden waren gedood.

Mile liet me tijdens onze eerste ontmoeting in 2008 de herbouwde stallen zien. Het dak was nieuw, alles zat weer strak in de regenpijpen. Hij wees op de weilanden langs het spoor. ‘Eerst stoven de paarden nog weg bij elke granaatinslag. Maar daarna raakten ze afgestompt.’ In mijn bijzijn kreeg de stalmeester ruzie met tolk Jadranka, de plaatselijke lerares Engels, die hem voor de voeten wierp dat dit niet zomaar granaten waren die uit de lucht vielen, maar Servische granaten. Mile had zijn T-shirt glad getrokken en gesnoven. Hij had zich ingezet voor zijn paarden, ‘en juffrouw, die hebben geen nationaliteit, is het wel?’

Mile gaf toe dat hij bij de evacuatie over een legertruck kon beschikken. ‘Het was dus toch een militaire operatie’, vertaalde Jadranka erbij. De stalmeester zei dat zijn hengsten en merries zo verzwakt waren dat je ze gewoon bij elkaar kon zetten, dat maakte niets meer uit. De kudde vond onderdak in Bosnië, maar na twee maanden, in februari 1992, brak ook daar de oorlog uit.

In konvooi waren ze doorgereisd naar de voormalige elitestallen van Tito in Karadjordjevo, Servië. Een tijdlang ging dat goed, Mile had het stamboek en het brandmerk meegenomen en ging door met fokken. Maar in 1997 trok het leger zijn handen af van zijn ‘oorlogspaarden’, en moest Mile zijn heil elders zoeken. Die dacht hij te vinden bij een casinobaas uit Novi Sad, een Serviër die ook paarden fokte - en honden voor de beveilingsindustrie. Met zijn kapitaal en Mile’s kennis zouden ze een commercieel fokprogramma opzetten.

‘Als u mij vraagt of ik spijt heb van die beslissing, dan zeg ik: “Ja, elke minuut van de dag”’. Wat de casinobaas niet wist: de Internationale Lipizzaner Federatie had de ‘vermiste’ lipizzaners uit Lipik op een zwarte lijst geplaatst: wie zo’n dier kocht maakte zich schuldig aan heling. Ze bleken onverkoopbaar. De casinobaas besloot geen dinar meer aan zijn Kroatische kudde te spenderen en liet ze verhongeren. Dat was in de nazomer van 2003. Toen het winter werd en het gras onder een laag sneeuw lag toegedekt had Mile dertig paarden zien sterven. ‘Op het laatst aten ze hun eigen stal op. Ze kauwden op alles wat van hout was.’

In het voorjaar bedelde hij bij de plantsoenendienst van Novi Sad om het gemaaide gras uit de parken. Maar hij was ook maar een vluchteling met een fiets, naar wie niemand luisterde. Mile kreeg ontslag van de casinoman, die hem in 2006 - op straffe van de kogel - ook de toegang tot zijn erf ontzegde. Nog eenmaal was hij teruggekeerd, gewapend met een camera. Hij maakte foto’s van wandelde geraamten, strak omspannen door een gehavend, wit vel. Merries die met hun laatste krachten proberen op te krabbelen in hun kaalgevreten wei. Stukken kaakbeen ook, van de lipizzanerkadavers die aan de honden waren gevoerd. De stalmeester had alles doorgespeeld aan de lokale krant Grasdanski List en was ondergedoken.

Via het alziend oog van YouTube gingen de beelden van de verwaarloosd teruggevonden kudde de hele wereld over. Hoewel de casinoman eerst nog 300 000 euro losgeld eiste, zwichtte hij uiteindelijk onder de druk van de media om de ‘laatste krijgsgevangen van de oorlog’ te laten gaan. In de nacht van 13 oktober 2007 om twintig over twee keerde het paardenkonvooi terug in Lipik, geëscorteerd door toeterende en vlaggenzwaaiende Kroaten. Van de 45 teruggekeerde lipizzaners hadden er acht de complete zestienjarige odyssee overleefd – de rest was ‘nafok’.

Ook Mile Komasovic dook weer op in Lipik. Hij was meegereisd als verstekeling omdat hij zijn leven niet langer zeker was in Servië. De burgemeester van Lipik verzocht me in 2008 om niet over de teruggekeerde stalmeester te schrijven. De meeste Kroaten zagen hem als verrader en kidnapper, ze zouden niet begrijpen dat Mile een appartement had gekregen op kosten van de gemeenschap. Omdat ik ook een ander motief vermoedde (de terugkeer van de lipizzaners diende een zuiver Kroatische overwinning te zijn) had ik toch over Mile Komasovic geschreven.

 

Ik heb geen afspraak, geen telefoonnummer, geen huisadres. Maar Mile staat wel met foto en al in een recent nummer van het Kroatische tijdschrift Globus. Als good guy. ‘Ik ben eraan gewend gehaat te worden’, zegt hij in het artikel. Er staat ook een omschrijving in van het gebouw waar hij woont, zodat ik hem voor dit onaangekondigde rendez-vous gemakkelijk moet kunnen vinden.

Eenmaal in Lipik sla ik bij het enige stoplicht rechtsaf de Keizerin Maria Teresia-straat in. De tot puin gebombardeerde ‘Kursalon’ - Lipik’s pronkjuweek uit de Habsburgse glorietijd - gaat verborgen achter steigers die met witte lappen zijn afgedekt. Tegen de gevel van ‘Huis 5’ staat een fiets. Er is een gedeelde entree, elke kamer blijkt een aparte woning. Komasovic doet open. Hij slaat zijn vest dicht en verontschuldigt zich: hij heeft juist bezoek van zijn zoon die in Novi Sad is achtergebleven. Maar geen sprake van dat ik buiten zal wachten, Mile noodt me binnen en stelt me voor aan zijn 31-jarige zoon. Hij heeft een fors en gespierd lijf, wat de magerte van zijn vader extra doet uitkomen.

‘Maar ik ben weer wat aangekomen’, verweert Mile zich, terwijl hij met twee handen in zijn zij staat te kneden.

‘Pa, zoiets doe je alleen bij paarden....’

Er staat een bed, een zacht blèrende televisie en een kast met daarop foto’s van prijshengsten. Als ik het eerbetoon van de mevrouw uit Maasdam overbreng en de boodschap ‘U verdient een standbeeld’, krijgt Mile vochtige ogen. Ook zijn zoon, naast hem op de beddensprei, vecht tegen de ontroering; hij springt op en haalt twee petflessen tevoorschijn, een met rakija, een met wijn.

We proosten. Ik vraag hoe het gaat.

‘Hier in Lipik weet iedereen wie ik ben’, zegt Mile. ‘Ik word met rust gelaten en doe mijn werk.’ Twee keer nog is hij gebeld door de casinobaas, maar ach, er zijn ergere zaken dan dreigtelefoontjes.

Er valt een stilte, dan zegt Mile: ‘We worden allemaal uitgedaagd in het leven.’ Hij wil liever niet terugdenken aan de laatste jaren in Servië. ‘Ik heb altijd gedacht dat ik geen keuze had. Soms op kwade dagen vroeg ik mij wel af: Waarom ik? Waar is dit goed voor? Wanneer houdt het op?’

Ik vraag of hij iets heeft geleerd over de mensenlijke soort. ‘Ja’, zegt hij. ‘Die is onverbeterlijk.’ Dat mensen elkaar naar het leven staan, heeft niets te maken met hun etniciteit of hun geloofsovertuiging: dat zijn slechts de slappe, gebruikelijke voorwendselen. ‘Ik ben gedoopt en ik heb ook mijn zoon laten dopen, wij zijn Servisch-orthodox, maar dat staat er los van.’

‘Waar het dan wel aan ligt?’ Mile komt met een indirect antwoord. ‘Om met paarden om te kunnen gaan moet je een vriend en een meester van ze zijn. Je bent hun leider, maar tegelijk ook hun beste vriend. Zo moet het zijn. Altijd. De meeste mensen met macht over anderen kunnen dat laatste niet opbrengen.’

Zijn zoon gaat rond met de petflessen en brengt een toost uit. ‘Op het feit dat ik mijn vader, ook al woont hij nu hier en ik daar, weer gewoon kan opzoeken.’

De treinen tussen Servië en Kroatië rijden weer, de snelweg is heropend.

Is alles dan weer ‘normaal’?

‘Alleen als je met de auto komt, met bijvoorbeeld BG van Belgrado in je kenteken, dan loop je het risico dat ze de spiegels eraf trekken.’

Het schiet me te binnen dat het zo ook was begonnen in de zomer van 1991: met het bekrassen van auto’s van Serviërs die aan de Kroatische kust hun vakantie vierden. Nu twee decennia later is het geweld kennelijk weer geluwd tot het vandaliseren van elkaars auto’s. Nog even, zou je denken, en je bent terug bij af. In het verschiet ligt een eind-goed, al-goed scenario waarbij Kroatië en Servië hun munten omsmelten tot euro’s – in navolging van Slovenië.

En dan? Ik vertel over een cartoonist in Belgrado die kort geleden het woord ex-Yugo ombouwde tot n(ex)t-Yugo – met een verwijzing naar de nieuwste ‘mode’ onder de Servische en Kroatische leiders om elkaar te prijzen. Vader en zoon Komasovic zijn sceptisch: het weefsel van de samenleving is te ruw uiteengereten, de wonden zijn niet meer te hechten. Alleen al uit de heuvels rond Lipik zijn ruwweg vijfduizend Serviërs verdreven; Mile Komasovic is een van de weinigen die is teruggekeerd.

‘Ik word hier alleen getolereerd vanwege mijn kennis van de paarden’ zegt hij. ‘Zolang ze me er toelaten, zal ik in de stallen komen. Mijn lot valt samen met het lot van de paarden.’

Komasovic junior toont me een foto van voor de oorlog. ‘Kijk, dit is mijn vader.’ Ik zie een folkloregroep: geknielde dansers met pofmouwen op de voorgrond, een rij mannen, een rij vrouwen, een span lipizzaners voor de koets en op de achtergrond een orkest. ‘De basist, die man met die snor, dat is hem.’

‘Ja, dat was ik’, zegt Mile Komasovic. ‘Bozje moi. Mijn God, dat was meer dan vijfentwintig jaar geleden.’ Met zijn duim en wijsvinger plukt hij een keer krachtig aan zijn snor, dan schenkt hij de glazen nog eens vol. ‘En nu bezit ik alleen nog een fiets. Proost!’

 

Frank Westerman

Bovenstaand artikel voert deels terug op zijn onlangs verschenen Dier, bovendier dat is opgezet als een tijdreis langs de grote tragedies van de twintigste eeuw, aan de hand van het lipizzanerpaard.